The Overland Track - Deel 2
Hoe ik verliefd werd op meerdaagse trektochten, kun je lezen in The Overland Track Deel 1 en Deel 2. Ik heb deze blogs geschreven toen ik 29 jaar was. Ik heb ze hier grotendeels overgenomen zoals ik het toen verwoorde en beleefd heb. Vintage dus. Voor de liefhebber.
In Cradle Mountain stappen we uit. Ik kijk naar het landschap, de blauwe lucht met witte wolkjes hier en daar. Ik doe mijn rugzak om en klik de heupband vast. Zeventien kilo. Zo zwaar heb ik nog nooit iets op mijn rug gedragen. Ik haal een keer diep adem. Oké. Daar gaan we dan.
Na een uur sjouwen voelt het alsof iemand stiekem nog wat extra keien in mijn tas heeft gestopt. We staan aan de voet van Cradle Mountain. We laten de rugzak achter bij een paar struikjes (met de regenhoes erom heen, alsof we volleerde hikers zijn) en beginnen aan de weg naar boven. De klimpartij is best pittig. Ik concentreer me op het gelijk laten gaan van mijn ademhaling met mijn loopritme. Iedere stap een overwinning. Iedere bocht hoop ik dat ik er ben, maar dan is er toch nog een pad na de bocht. Het landschap onder ons wordt steeds kleiner en we zien steeds meer rondom. Uiteindelijk bereiken we dan toch echt de top (Cradle Mountain, 1.545 m). En het uitzicht is werkelijk fenomenaal. Het is super helder weer, wat bijzonder is volgens Gus, een gids die we halverwege de klim even spraken.
Ik kijk om me heen en probeer te bevatten dat ik hier echt sta. Ik zie de weg die ik heb afgelegd om hier te komen. Letterlijk en figuurlijk. Ik ervaar een mix van emoties: ontroering, blijdschap en verwondering. Dit is dus die beloning waar al die wandelaars over praten. Nu snap ik het. Viefke is jarig vandaag en om dat moment te vieren op het hoogte punt van deze dag, heb ik voor ons allebei een shotje Baileys (haar lievelingsdrankje wist ik) mee naar boven gesjouwd. We toasten op haar verjaardag en op ons avontuur.
We zakken weer af en hangen onze bult weer om. Overal zien we buttongrass. Van die groene pollen die het landschap iets buitenaards geven. Recht voor ons ligt Barn Bluff, een indrukwekkend iconisch beeld. Ergens onderweg zien we een quoll, een soort gevlekt buideldiertje. Zeldzaam bij daglicht, zegt het boekje. Wij weten niet beter dan dat alle dieren hier zomaar overdag lopen. Beginnersgeluk, waarschijnlijk. Bij de eerste hut, Waterfall Valley, duikt dan mijn allereerste kangaroo op. Gewoon, in het wild, op nauwelijks een paar meter afstand.
De dagen krijgen al snel een eenvoudig ritme. Opstaan, inpakken, koffie, rugzak om, lopen. Op 21 november 2001 vertrekken we rond een uur of negen. Onderweg passeren we de afslag naar Lake Will, onderaan Barn Bluff. In de verte, links, ligt Mount Oakleigh. Daar slapen we nacht vier.
De tocht langs Lake Will is een rustig dagje. Zonnetje, vergezichten, alle tijd om een beetje te dromen bij het water. Op weg naar Lake Windermere komen we langs een bijzondere boom die eruitziet alsof hij door een kunstenaar is geplaatst. En bij de Windermere-hut loopt een wallaby rond. Schattig. Ik weet niet precies hoe lang ik ernaar sta te kijken en dat maakt ook niet uit: ik heb alle tijd. Er is plek in de hut en er zijn ook andere hikers. We maken kennis met Jan (Zwitserland) en Chai (Maleisië) . Het is een hele gezellige avond.
De volgende ochtend, 22 november, vertrekken we vroeg in de mist. Het heeft de hele nacht flink geregend. Op een uitzichtpunt, die volgens het boekje een prachtig uitzicht heeft, zien wij een gordijn van witte mist, wolken en verder niets. Onderweg loopt Chai een stuk met mij en Viefke mee. Bij Frog Flats houden we pauze met tonijn wraps en thee. Na een ochtend zwoegen smaakt dat als een menu in een sterren restaurant. Iets verderop haalt Jan ons in. Op zo'n trail kom je steeds dezelfde gezichten tegen. Iedereen loopt zijn eigen tempo, maar op een bepaalde manier loop je ook samen.
Via de Arm River Track lopen we tot aan Lake Ayr. Daar zien we een van de drie giftige slangensoorten van Tasmanië. Heel klein, maar heel giftig. Gelukkig zijn is het banger voor ons dan wij voor hen. Althans, dat vertel ik mezelf. Viefke en ik staan allebei als zoutpilaren te kijken hoe het slangetje langzaam wegglibbert. Eenmaal uit beeld giechelen we de spanning weg. Stoer als we zijn.
Bij New Pelion Hut gaat de kaart op tafel. Waar zijn we precies, waar gaan we heen, hoeveel eten hebben we nog, en redden de batterijen van de camera het nog? Dat zijn ineens de belangrijke vragen in het leven. Geen wifi, geen agenda, geen gemiste oproepen. Alleen de tocht, een landschap dat zichzelf dag na dag anders toont. Het ritme is duidelijk en de cadans eenvoudig. Wat me misschien nog wel het meest verrast, is hoe weinig ik nodig heb om helemaal in mijn element te zijn.
Ik zie er niet uit: plakkerige haren, overal modderspatten, een shirt vol zweet. Ik kijk naar het vlammetje van de brander, luister naar het geluid van de wind in de bomen, en bedenk me dat ik dit vaker wil. Dit buiten zijn. Dit eenvoudige. Dit offline leven. En ergens tussen de top van Cradle Mountain, mistige uitzichtpunten zonder uitzicht, een wallaby bij een Windemere-hut en een rugzak die elke dag iets minder zwaar voelde, gebeurde het. Daar, ergens op The Overland Track, sloeg de vonk over. En ik wil vanaf nu zoveel mogelijk te voet er op uit om outdoor avonturen te beleven.
De rest is geschiedenis.
Manon springend van button gras naar boomstam opThe Overland Track na hevige regenval